U zult op Sicilië heel veel olijfbomen aantreffen. Deze zijn in verband met de groei van de wortels altijd in keurige rijen, op ruime afstand van elkaar geplant. Na ongeveer vijf jaar beginnen de bomen vruchten te dragen. De olijfbomen staan in mei in bloei. Het zijn de stampertjes van de witte bloempjes, die tot olijven uitgroeien.
De olijven worden begin november geoogst: eerst worden netten onder de olijfboom gelegd, waarna de boeren met behulp van typische, houten laddertjes omhoogklimmen om vervolgens met een soort harkje de olijven uit de boom te halen. De in de netten gevallen olijven worden daarna in kratten of emmers verzameld. Er zijn groene en donkere, paarsbruine olijven. De groene olijven zijn geplukt voordat ze helemaal rijp waren, terwijl de donkere olijven volledig rijp waren voordat ze werden geoogst.
Versgeplukte olijven kun je overigens niet direct eten! Ze zijn namelijk erg bitter. De olijven die u in de winkel aantreft, zijn behandeld om ze van hun bittere smaak te ontdoen. Deze behandeling houdt in dat de olijven enkele weken in verschillende bakken met water en zout (en eventueel wat kruiden) of olie worden gelegd, waarna ze vaak worden ontpit en in sommige gevallen ook worden gevuld. Dan pas zijn ze voor consumptie gereed.
Het zal geen verrassing zijn dat u in diverse Siciliaanse gerechten olijven zult aantreffen. Een goed voorbeeld is de caponata, een typisch Siciliaans voorgerecht, waarvan we op onze receptenpagina het recept hebben vermeld.
De olijf is vandaag de dag nog steeds een van de belangrijkste landbouwproducten op Sicilië.




